Psychomotorische therapie (PMT)

Psychomotorische therapie (PMT) 1. Plaatsbepaling binnen het vakgebied van de psychologie. Eclectisch: humanistische psychologie, cognitieve gedragstherapie, psychoanalyse, systeemtheorie. 2. Oriëntatie van de therapievorm. Lichaamsgericht of bewegingsgeoriënteerd in combinatie met gesprekstherapie. 3. Wat is psychomotorische therapie? PMT vindt zijn oorsprong in de psychiatrie. Het is een paraplubegrip voor een aantal psychotherapeutische methoden en technieken met beweging en lichaamservaring als gemeenschappelijk uitgangspunt. Al vanaf 1776 worden lichaamsoefeningen voorgeschreven als antwoord op zenuwziekten zoals hypochondrie, hysterie en melancholie. Behalve ‘kamergymnastiek’ in de sportzaal worden ook wandelen en paardrijden als therapie aangeboden. De ideeën van de Duitse arts H. Simon (1868-1948) betekenen een kentering van een passieve naar een actieve benadering van patiënten. Doelstelling van bewegen wordt het gezonde deel van de patiënt stimuleren en de onrust verminderen. Van 1923 tot 1960 is er een ontwikkeling gaande vanuit de lichamelijke opvoeding tot bewegingstherapie (later PMT, Klaas Roozendaal). Afhankelijk van de medewerking en ondersteuning van de directeur van het psychiatrisch ziekenhuis krijgt de bewegingstherapie steeds meer vorm en ruimte. Gordijn (1909-1998), die begint als leerkracht lichamelijke opvoeding en later hoogleraar is geworden, is bekend om zijn bewegingsleer waarin het niet gaat om biomechanische principes, maar om de intentionele betrokkenheid van de beweger en het relationele aspect in met name teamsporten. In 1986 onderscheidt Fahrenfort twee richtingen binnen de PMT, de lichaamsgeoriënteerde en de bewegingsgeoriënteerde therapie.

Terug naar overzicht